27.2.07

El Viaje

Na 18 dagen vakantie in het Noordwesten van Argentinië en in Chili ben ik eindelijk terug thuis in Buenos Aires: een vijftal neusvellen lichter (ik kon de hele vakantie niet buitenkomen of hij verbrandde) en vele ervaringen en foto’s rijker.

Reizen in Zuid-Amerika betekent vooral dat je bereid moet zijn om vele uren op de bus te slijten, tenzij je natuurlijk rijk genoeg bent om binnenvluchten te nemen. Met twee busreizen van meer dan 20 uren en nog enkele van rond de 10 uur, zal ik zo’n 20 procent van mijn vakantie in een bus hebben besteed. Hallucinant voor wie Europa gewoon is, waar alles ontzettend dichtbij is. En hoewel de meeste bussen van uitstekende kwaliteit zijn, loopt er ook al eens iets mis. Een bus valt in panne of de airco valt uit op de heetste dag van het jaar. Naast de bus, was immers ook de zon alomtegenwoordig op enkele buitjes na in het begin van de reis. Zelfs Ilse die zich per dag zo’n 14 keer insmeert, slaagde er nog in om te verbranden. En op 3000 meter hoogte, met zicht op de hoogste besneeuwde toppen van de Andes, is zelfs een t-shirt al te veel om te verdragen. De Andes was overigens de derde constante van de reis. Er was gewoon geen ontsnappen aan, overal zag je de machtige bergen ofwel van ver ofwel van vlakbij. En wat mij daar vooral bij opviel is hoe kleurrijk de Andes is. Waar je ook kijkt, zie je andere kleuren. In Catamarca is de Andes groen, in Mendoza eerder bruin, in Chili wat grijs en in Jujuy rood. Maar nu schrijf ik gewoon enkele observaties lukraak door elkaar, terwijl een wat meer chronologisch verslag allicht overzichtelijker is. Leg – zoals mijn moeder – de atlas open op schoot en volg mee.

De eerste lange busreis van 22 uren eindigde in Salta, de mooiste stad in het Noordwesten van Argentinië en wat mij betreft zelfs de tweede mooiste van het land (tot nu toe), na mijn beminde Buenos Aires. Salta ligt op 1200 meter hoogte, omgeven door heuvels en heeft enkele prachtige koloniale gebouwen. Het is er ook bijzonder rustig in vergelijking met andere Argentijnse steden, zelfs daar in de streek. Het nabijgelegen San Salvador de Jujuy waar Ilse en ik noodgedwongen enkele uren moesten doorbrengen (slechte busverbinding) kent de chaos die ik van Argentijnse steden gewoon ben. Maar Salta is een oase van rust en nochtans wel een stad met een half miljoen inwoners. Rustig, maar niet saai. Er is vanalles te doen en het nachtleven leek me bruisend, al kon ik daar zelf weinig toe bijdragen na de lange trip. In Salta werd mij meteen duidelijk dat ik tijdens deze vakantie meer zou opvallen dan mij lief is. In Buenos Aires loopt vanalles door elkaar, zelfs volbloed Argentijnen die groot zijn, en blond haar en blauwe ogen hebben. Ik zie er dus niet per se uit als een buitenlander. In Salta is dat anders. Mensen zijn er kleiner en donkerder, hebben nog meer inheems bloed in de aderen. Het Inca-rijk strekte zich uit tot ginder en ook andere inheemse volkeren hielden er relatief lang stand. En zeker met Ilse erbij, de quasi albino met de beginnerscursus Spaans, was er geen ontkomen aan mijn buitenlandse roots, hoe hard ik ook probeer een beetje Argentijns te lijken. Van mijlenver is de Duitser (volgens de Argentijnen) of de Amerikaan (volgens de Chilenen) te zien. Salta was de enige plaats waar het weer tegenviel, waarmee ik bedoel dat het er bij momenten behoorlijk regende. Uiteindelijk hebben we dan ook niet zo heel veel gezien die eerste twee dagen, behalve de belangrijkste plekken in de stad en hebben we één van de omliggende heuvels beklommen. En wanneer ik zeg ‘beklommen’, dan bedoel ik uiteraard dat we met een kabelliftje naar boven zijn gegaan en te voet zijn afgedaald.

Na twee dagen Salta (hoogtepunt 1) vertrokken Ilse en ik naar Tilcara in de noordelijkste provincie van Argentinië, grenzend aan Bolivia. Tilcara zelf is een klein dorpje dat vooral leeft van het toerisme, maar het heeft zijn charmes en de omgeving rond Tilcara kent zijn gelijke niet. Ik heb natuurlijk al heel wat bergen en heuvels gezien in mijn leven, maar ben nog maar zelden zo overdonderd door natuurschoon. Bij momenten was het gewoon ontroerend te zien hoe mooi de wereld wel kan zijn. Tijdens één van onze wandelingen heb ik Ilse even gedumpt zodat ik alleen kon genieten van de pracht van het landschap en de onverwachte emoties die dat teweegbrengt. Voor een rationeel mens als ikzelf, was het bij momenten vrij intens. Ook de muziek speelt hier een rol. Aan wie zich – net als ik – ergert aan die fake Peruanen met hun panfluit-muziek voor de McDonalds in de Veldstraat, kan ik met vreugde meedelen dat een panfluit ginder plots wel zijn charmes heeft. En na een goeie wandeling smaakt niets zo lekker als een heerlijke, pluizige lama. Leuke diertjes om te zien en lekker mals om te verorberen met wat maïs en aardappelen (oorspronkelijk een Andesgroente).

Een paar busreizen en wat oninteressante stadjes (San Salvador de Jujuy, San Miguel de Tucumán, Catamarca) later, arriveerden we in Balcozna. Doe geen moeite, Balcozna zal je in geen enkele atlas vinden. Het is een onooglijk dorpje op zo’n 80 kilometer van Catamarca, waar één straat is (langs de rivier), de elektriciteit elke dag minstens één keer uitvalt en het paard nog altijd het belangrijkste vervoermiddel is. Het is ook het dorp van één van de oma’s van Patricio, zijn moeder’s moeder, die ik al eens had ontmoet in Buenos Aires en toen had beloofd langs te komen als ik ‘in de buurt’ (dat wil zeggen in een straal van zo’n 1000 kilometer) was. En belofte maakt schuld. Dus wij naar het moeilijk te bereiken Balcozna voor een reünie met de Seco’s. Naast oma Carmen waren immers aanwezig: dochter Olga (de moeder van Patricio) en de zonen Nene, Carlos en Julio. Die laatste had ook zijn vrouw Lolly en twee van zijn kinderen (Fernanda en David) bij. Slechts één van haar zonen, de psychotische Pepe (die in een ver verleden nog zijn vrouw heeft vermoord), ontbrak. Gelukkig heeft Carmen een gigantisch huis dat tegelijk dienst doet als hotelletje en was er dus plaats genoeg voor iedereen. Zoals gezegd is Balcozna moeilijk te bereiken zodat we moesten rekenen op de gulheid van de twee-vingerige Nonkel Julio om ons te voeren vanuit Catamarca-stad. Veel gedoe dus om uiteindelijk te arriveren in ‘the middle of nowhere’, maar het was de moeite waard. De omgeving is er heel mooi, heel rustig (na 4 dagen word ik er gegarandeerd zot) en Doña Carmen was bijzonder gelukkig om ons te zien. Na een blitzbezoek van minder dan 24 uren was het echter alweer tijd voor de volgende stop: Mendoza.

De stad Mendoza heeft weinig om het lijf: een mooi parkje hier, een aangenaam pleintje daar en voor de rest al wijn wat de klok slaat. Zowat twee derde van de Argentijnse wijn wordt in en rond Mendoza geproduceerd, zodat je in elke richting wijngaarden ziet. Een bezoek aan enkele bodega’s is dan ook onvermijdelijk en daar trokken we dus een dagje voor uit. Van ons oorspronkelijke plan om een vijftal wijngaarden te bezoeken bleef echter niet veel over. Na de tweede wijngaard en evenveel degustaties waren we niet meer in staat om nog veel te doen. Als je in België een fles Rutini vindt, dan moet je die zeker eens proberen, wetende dat wij de Rutini hebben geproefd terwijl die nog in de houten ton zat. Heerlijk! Maar de bodega die Rutini produceert is wel de meest toeristische van allemaal: 30 man die samen naar het afgerammelde praatje moeten luisteren en daarna hun slechtste wijn kunnen proeven (want om de goeie wijn te proeven moet je of je portemonnee bovenhalen of – zoals wij – het geluk hebben dat één van de werknemers je half stiekem een bekertje toestopt). Helemaal anders was het in de Cava de Condes, waar we een persoonlijke rondleiding kregen (we waren de enige bezoekers sinds enige tijd, denk ik) en we nog wat kilo’s druiven meekregen als afscheid. Nog nooit zo’n goede, zoete druiven gegeten. Een bezoekje aan de thermische baden in de bergen rond Mendoza klinkt beter dan het is. Het was immers zondag en ‘le tout Mendoza’ was op hetzelfde idee gekomen als wij. Bovendien ziet het er meer uit als een soort openlucht Aqualibi dan als een natuurlijke warmwaterbron. Een echt hoogtepunt – letterlijk en figuurlijk – is dan weer de weg tussen Mendoza en Chili, de Andes overstekend. Je passeert de skioorden (het kriebelt om er in de winter terug te keren en de pistes eens uit te proberen), de Inca-route en vooral de Aconcagua, de hoogste berg van het Amerikaanse continent, bijna 7000 meter. Het was een lastige wandeling om te komen tot een punt waar je oog in oog staat met het dak van Amerika, maar meer dan de moeite waard. Vanuit Puente del Inca (op bijna 3000 meter) verlieten we Argentinië om enkele uren later te arriveren in de hoofdstad van een ander land: Chili.

Of ik Santiago, de hoofdstad van Chili, eens wil vergelijken met Buenos Aires, vraagt iedereen mij hier. Buenos Aires is mooier, heeft meer grandeur, meer architectuur, en is chaotischer, drukker en gevarieerder. Santiago is beter georganiseerd, rijker (in vergelijking met de metro in Santiago dateert de metro in Buenos Aires uit de Middeleeuwen) en rustiger. En vooral: Santiago is mooier gelegen. Rond Buenos Aires is er werkelijk niets. Rond Santiago liggen bergen zo hoog dat er zelfs in de zomer nog sneeuw ligt. Alleen kan je ze door de smog die boven de ingesloten stad hangt, niet altijd zo goed zien. Het belangrijkste minpunt van Santiago is echter de prijs. Voor mensen die euro’s verdienen is Santiago nog altijd een goedkope bestemming, voor mensen die Argentijnse pesos verdienen is Chili echter een plaats waar het geld sneller opraakt dan je lief is. De aankomst in Santiago viel tegen, moet ik toegeven, omdat we terechtkwamen in een jeugdherberg die zowat mijn ergste nachtmerrie was. Gerund door Amerikanen (die zelfs na jaren in Chili nog steeds geen woord Spaans spreken) en bevolkt door het type Amerikaanse adolescenten dat niet denkt maar schreeuwt en niet drinkt maar zuipt. Het type Amerikaan waar je makkelijk de zot mee kan houden terwijl ze het niet door hebben, maar dan moet je wel zin hebben om er meer dan twee woorden mee te wisselen, wat bij mij niet echt het geval is. Snel naar een andere jeugdherberg met een gemengder en rustiger publiek, zoals het oudere Australische koppel dat wou weten of de stad Flanders ver van Brussel ligt, de Chileen die voor dezelfde Argentijnse voetbalclub supportert als ik (Racing) en de Spaanse uitwisselingsstudenten Carmen en Antonio die bij deze uitgenodigd zijn in Buenos Aires. Ah, en Ilse heeft er een Ier én een Kevin leren kennen (oh, dubbele ramp), maar dat moet ze zelf maar eens vertellen. Als laatste etappe in de reis reisden we naar Valparaiso, een charmante stad waarvan een deel door de Unesco is erkend als werelderfgoed. Valparaiso ligt aan de kust van de Stille Oceaan tussen heuvels, wat het wandelen er lastig maakt, zeker na twee weken over en weer gereis. Met het zicht op de Stille Oceaan – die er overigens ijskoud was, zodat ik er maar tot mijn enkels ben ingegaan – was het einddoel bereikt: het Zuid-Amerikaanse continent oversteken van Atlantische kust naar de Pacifische kust. Einde reis, ware het niet voor de 26 uren terug naar Buenos Aires.

Uiteraard ontbreekt er in dit verslag enorm veel, maar bij de uitgebreide fotoreportage staat er wat meer uitleg bij de verschillende foto’s. Geniet ervan, zoals ik dat ook gedaan heb!

6.2.07

Las Vacaciones

Donderdag vertrek ik op vakantie, ook al lijkt het misschien alsof ik al de hele tijd met vakantie ben. Maar nu is het een echte vakantie, een laatste reis voor in maart het nieuwe schooljaar hier begint. Bestemming: de Andes. Voor wie wil meevolgen op een kaart, hier een zeer voorlopige reisroute. Ilse, die overigens goed aangekomen met heel veel leuke en vooral lekkere cadeau’s (kilo’s chocolade), en ik vertrekken donderdag voor een busreis van 22 uren – Argentinië is een groot land – naar Salta, de hoofdstad van een provincie in het noordwesten. Vanuit Salta gaan we nog een beetje meer naar het noorden, naar de provincie Jujuy en met name naar de Quebrada de Humahuaca, één van de mooiste streken in het land. Dan dalen we af, naar de provincies Tucumán en Catamarca. In Tucumán bezoeken we vooral het rustige maar prachtige Tafi del Valle en in Catamarca blijven we een dag of twee in het hotelletje van de oma van Patricio, de ma van Olga, die ik eerder al leerde kennen toen ze in Buenos Aires was.

De tweede week van de drie weken vakantie zullen we doorbrengen in Mendoza, dé wijnstreek in Argentinië en ook de provincie met de hoogste bergen in het Amerikaanse continent (meer dan 6000 meter). Patricio komt ook af naar Mendoza, zodat we daar met zijn drieën zijn. Wijn proeven en bergwandelingen staan zeker op de agenda. En de derde en laatste week steken we de grens over naar Chili. De hoofdstad Santiago de Chile ligt slechts op een paar uur van Mendoza, dus het zou te zot zijn om niet tot daar te gaan. En omdat we dan toch in de buurt zijn, eindigen we aan de kust van de Stille Oceaan om dan de eerste dagen van maart terug naar huis te keren.

1.2.07

El Verano

Het is hier nu het midden van de zomer. Dat betekent dat er zelden een dag is dat de temperaturen niet boven de 30 graden uitstijgen, dat de chaos iets minder is (maar nog altijd veel groter dan op gelijk welke plaats in België) en dat er in de hele stad bijna dagelijks gratis concerten en optredens zijn. Stel er je geen Gentse Feesten bij over, Buenos Aires is daar veel te groot voor en de concerten vinden dus te ver van elkaar plaats om een geheel te creëren. Ook is het zomerfestival Verano 07 – in tegenstelling tot de Feesten – een eenmalige gebeurtenis. En waarom juist nu? Omdat in Argentinië in 2007 zowat alles verkozen wordt wat er te verkiezen valt. Vanaf maart zijn er zowat elke week wel verkiezingen voor iets: de gouverneur van staat X, de burgemeester van stad Y, tot en met de presidentsverkiezingen in oktober (die zo goed als zeker zullen gewonnen worden door meneer of mevrouw Kirchner, ze moeten onder elkaar nog uitmaken wie kandidaat zal zijn). En dus zijn er binnenkort ook verkiezingen voor het stadsbestuur hier, wat Verano 2007 en een pak andere initiatieven (de heraanleg van vele parken, bijvoorbeeld) verklaart. Op Verano 07 spelen vooral lokale artiesten, waar ik meestal nog nooit van heb gehoord, maar dankzij de aanstekelijke aanwezigheid van de porteños maakt dat weinig uit. Naar het schijnt komen grote artiesten graag naar Argentinië omdat ze zelden voor een enthousiaster publiek spelen, en na een paar keer deel te hebben uitgemaakt van het Argentijnse publiek kan ik mij dat best voorstellen. Niet te doen!

Je kan trouwens meer lezen over hoe goed het leven hier wel is op de weblog van de VRT, een objectieve bron voor mensen die het nog altijd niet geloven…